De minister van Justitie en Veiligheid heeft onlangs aangegeven dat huiselijk geweld een terrein is waarop verdere actie noodzakelijk is. Daarmee erkent de regering dat huiselijk geweld niet slechts een privékwestie is, maar een maatschappelijk veiligheidsprobleem waarvoor de overheid verantwoordelijkheid draagt. Tegelijkertijd blijkt uit de politiegegevens dat de registratie van huiselijk geweld nog onvoldoende betrouwbaar is voor een goede langetermijnvergelijking. Juist daarom is alertheid noodzakelijk.

Tegen deze achtergrond is de recente zaak waarbij een hooggeplaatste overheidsfunctionaris betrokken is geraakt bij een melding van huiselijk geweld bijzonder gevoelig. De kwestie is besproken in De Nationale Assemblée en vanuit de regering zijn hierover mededelingen gedaan. Inmiddels heeft de echtgenote de aangifte ingetrokken. Daarmee is echter niet automatisch iedere juridische of bestuurlijke vraag verdwenen.

Artikel 19 van de Wet Bestrijding Huiselijk Geweld is hierbij van belang. De bepaling schrijft voor dat wanneer de politie kennis krijgt van een geval van huiselijk geweld, daarvan registratie plaatsvindt volgens de wettelijke procedure. Het uitgangspunt is dat een melding niet simpelweg als een privéaangelegenheid kan worden genegeerd. Het intrekken van een aangifte betekent daarom niet automatisch dat politie en justitie geen verantwoordelijkheid meer hebben. Het Openbaar Ministerie moet zelfstandig beoordelen wat er met de beschikbare informatie en het eventuele onderzoek moet gebeuren.

Dat staat los van de vraag naar schuld. Een aangifte is geen bewezenverklaring en iedere verdachte heeft recht op het vermoeden van onschuld. Maar naast de strafrechtelijke beoordeling bestaat er een bestuurlijke en ethische beoordeling.

Die vraag wordt scherper omdat het gaat om een functionaris die de overheid vertegenwoordigt. Hoe geloofwaardig kan iemand in zijn verzorgingsgebied voorlichting geven over huiselijk geweld, slachtofferbescherming en respect binnen gezinnen wanneer hij zelf onderwerp is geweest van een dergelijke melding? En welke boodschap geeft de regering aan slachtoffers wanneer zij enerzijds zegt huiselijk geweld steviger te willen aanpakken, maar anderzijds een hooggeplaatste functionaris zonder nadere beoordeling zijn representatieve taken laat voortzetten?

Daarbij moet worden voorkomen dat een tijdelijke verdenking automatisch leidt tot een bestuurlijke veroordeling. Maar het tegenovergestelde risico is even groot: dat de overheid vanwege de positie van een functionaris minder kritisch naar integriteit kijkt.

Juist omdat de minister spreekt over versterking van de politie-integriteit, betere registratie, ondersteuning van slachtoffers en een professionelere aanpak van huiselijk geweld, ligt hier een belangrijke test voor de regering. Integriteitsbeleid krijgt pas betekenis wanneer dezelfde normen ook gelden voor mensen die de regering zelf vertegenwoordigen.

De regering zou daarom helder moeten maken volgens welke criteria zij beoordeelt of een functionaris, zolang een dergelijke kwestie nog vragen oproept, belast kan blijven met representatieve taken rond huiselijk geweld en gezinsveiligheid.

De kernvraag is uiteindelijk niet alleen of er strafrechtelijk voldoende bewijs is voor vervolging. De bredere vraag luidt: welke voorbeeldfunctie verlangt de overheid van degenen die namens haar optreden?

Als huiselijk geweld daadwerkelijk een veiligheidsprioriteit is, moet die prioriteit zichtbaar zijn in beleid, handhaving én bestuurlijke integriteit. Anders dreigt het vertrouwen van de samenleving te worden ondermijnd door een kloof tussen wat de regering zegt en wat zij zelf doet.

Clayton Hiwat