De Rechtbank Rotterdam heeft De Vliegende Eend B.V. (DVE) en Kwekerij Gerash veroordeeld tot betaling van miljoenen aan Kirpalani’s N.V. Ook Asha Badal en Gerardus van den Bergh hebben volgens de rechtbank onrechtmatig tegenover Kirpalani’s gehandeld en zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de daardoor geleden schade. De uitspraak van 23 september 2026 vormt een nieuwe belangrijke ontwikkeling in het jarenlange conflict rond het niet gerealiseerde Kippie-pluimveeproject in Suriname. De rechtbank veroordeelt DVE en Kwekerij Gerash tot betaling van USD 2.869.126,16 uit hoofde van een leningsovereenkomst, vermeerderd met de overeengekomen rente vanaf 15 mei 2025 tot de dag van volledige betaling. DVE moet daarnaast € 912.676,04 betalen uit hoofde van een aanvullende leningsovereenkomst, eveneens met rente.

Het geschil vindt zijn oorsprong in de samenwerking voor een grootschalig pluimveeproject in Suriname. Kirpalani’s en DVE sloten in juli 2018 een leningsovereenkomst voor maximaal USD 2,5 miljoen. In september 2018 werd dit bedrag via een addendum verhoogd tot USD 3 miljoen. In april 2019 volgde een aanvullende kredietovereenkomst waarbij DVE een kredietfaciliteit van € 600.000 kreeg.

Het project, dat was bedoeld voor geïntegreerde kippenproductie in Suriname, werd uiteindelijk niet operationeel. Daarna ontstond een conflict over de terugbetaling van de verstrekte financiering, de uitvoering van de overeenkomsten en de besteding van de middelen. Dat leidde tot meerdere procedures in Suriname en Nederland.

Een belangrijk onderdeel van het Nederlandse geschil betrof geld dat vanuit Suriname naar Nederland was overgebracht. Kirpalani’s stelde dat middelen die beschikbaar waren gesteld zonder haar toestemming naar Nederland waren overgemaakt en voor andere doeleinden waren gebruikt. DVE, Badal en Van den Bergh bestreden verschillende onderdelen van die lezing. De rechtbank beoordeelde onder meer banktransacties, documenten en verklaringen over de geldstromen.

Voor Badal en Van den Bergh heeft de uitspraak verstrekkende gevolgen. De rechtbank verklaart dat zij onrechtmatig tegenover Kirpalani’s hebben gehandeld en veroordeelt hen hoofdelijk tot vergoeding van de schade die Kirpalani’s daardoor heeft geleden. Hoe groot die schade precies is, wordt niet in dit vonnis vastgesteld. Daarvoor moet een afzonderlijke schadestaatprocedure worden gevoerd.

De rechtbank heeft echter niet alle vorderingen van Kirpalani’s toegewezen. Een deel werd afgewezen. Ook de tegenvorderingen die DVE, Badal en Van den Bergh tegen Kirpalani’s hadden ingesteld, zijn afgewezen.

Het conflict heeft een lange juridische voorgeschiedenis. In Suriname zijn vanaf 2021 verschillende uitspraken gedaan over de samenwerking, de financiering en de uitvoering van verplichtingen tussen partijen. De Nederlandse rechtbank moest daarom ook beoordelen welke betekenis aan die Surinaamse vonnissen moest worden toegekend en of bepaalde geschilpunten in Nederland opnieuw konden worden behandeld. Voor een deel oordeelde de rechtbank dat eerdere Surinaamse beslissingen in de weg stonden dat vorderingen opnieuw inhoudelijk werden behandeld. Andere vorderingen konden volgens de Rotterdamse rechtbank wel worden beoordeeld. 

Naast de hoofdsommen zijn verschillende proceskostenveroordelingen uitgesproken. Het vonnis is op meerdere onderdelen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat aan die onderdelen uitvoering kan worden gegeven, ook wanneer tegen de uitspraak hoger beroep wordt ingesteld.

Met het Rotterdamse vonnis is het geschil niet noodzakelijk ten einde. De omvang van de schade waarvoor Badal en Van den Bergh persoonlijk aansprakelijk zijn gehouden, moet nog worden vastgesteld. Daarnaast staat tegen het Nederlandse vonnis in beginsel hoger beroep open.