Afgelopen woensdag opende president Jennifer Simons de vierde International Business Conference (IBC) in Paramaribo. Zij riep investeerders op ‘om verder te kijken dan de energiesector en bij te dragen aan een duurzame, gediversifieerde economie.’ De ontwikkeling van de offshore-energiesector moet leiden ‘tot tastbare verbeteringen in het leven van de bevolking’. Dat de regering hierbij een cruciale regiefunctie heeft, spreekt voor zich. Tegen deze achtergrond installeerde het staatshoofd eind juni het Nationaal Ontwikkelingsplatform onder leiding van econoom Karel Eckhorst. Hij moet een breed gedragen ontwikkelingsplan opstellen voor de periode 2030 tot 2050.

Eckhorst kan voor zijn opdracht gebruikmaken van het onlangs verschenen boek Klein land, grote uitdagingen – Economische ontwikkelingen in Suriname van professor dr. Ruben Gowricharn, die zowel economie als sociologie heeft gestudeerd. Hij vindt dat de meeste economen in Suriname weinig interesse tonen voor onderwerpen buiten de monetaire sfeer die mede of zelfs allesbepalend kunnen zijn voor een nieuwe economische toekomst van Suriname. Een voorbeeld: Gowricharn voorspelt dat in de komende jaren – als gevolg van de opkomende offshore-energiesector – de bevolking van Suriname met ongeveer 35.000 nieuwe inwoners zal toenemen. Hoe gaat Suriname de zorg, de huisvesting, het onderwijs en de ruimtelijke inrichting van het land voor deze bevolkingstoename organiseren? Het land is nog helemaal niet met dit soort zaken bezig, schrijft de auteur. Ziehier een van de grote uitdagingen die hij uit de doeken doet. Maar wat is tegenwoordig niet een ‘uitdaging’ in Suriname? Het woord wordt te pas en te onpas gebruikt.

Het boek bevat 17 prikkelende essays, met een voorwoord van oud-minister Jan Pronk, inmiddels 86 jaar oud. Hij blikt eerst terug op wat vooral niet gerealiseerd is in Suriname met Nederlandse ontwikkelingshulp – deels onder zijn bewind – om vervolgens de essays van Ruben Gowricharn een ‘rijk arsenaal aan suggesties met down-to-earth realisme’ te noemen die ‘behartenswaardig en haalbaar’ zijn. Tekenend voor Jan Pronk: hij doet een oproep om het Nationaal Leger om te bouwen tot een milieupolitie die orde en gezag in het binnenland moet handhaven. Het is een oud stokpaardje van Pronk: hij vond dat Suriname bij de onafhankelijkheid in 1975 geen beroepsleger, maar een ontwikkelingsleger nodig had. Inderdaad haalbaar, ook in het kader van de aangekondigde zoveelste ordening van de goudsector.

Gowricharn schrijft in zijn essays bijvoorbeeld over Armoede en economie; Regelen: allocatie in de publieke sector; Over de toekomstige vraag naar arbeid: de impact van de oliesector; Diaspora-economie; Ontwikkelingspolitiek; Economische instituties; Inflatiebestrijding in een kleine open economie, enz. Op verzoek van de Vereniging van Economisten in Suriname (VES) heeft de auteur vanaf mei 2025 in het verenigingsorgaan Inzicht reeds enkele van zijn essays gepubliceerd – te lezen op de website van de VES.

Ik belicht essay nummer 15, Brede welvaart. Hetzelfde verzoek van president Simons afgelopen juni aan Karel Eckhorst – schrijf een breed gedragen nationaal ontwikkelingsplan 2030-2050 – had president Santokhi aan socioloog prof. Marten Schalkwijk gedaan. Onder Santokhi was de tenaamstelling anders: de Strategische Werkgroep voor Olie- en Gasbeleid. Schalkwijk ging met een stuurgroep en vijf werkgroepen aan de slag die zich bogen over onderwijs, gezondheidszorg, groei en investeringen, milieu en leefbaarheid, en wet- en regelgeving. Ruim voor de verkiezingen van 25 mei presenteerde Schalkwijk het conceptrapport: Suriname 2050. Een duurzame weg naar de toekomst voor alle Surinamers. Vanwege de verkiezingskoorts parkeerde de regering-Santokhi het rapport. Het werd ook niet openbaar gemaakt, maar wel via netwerken gedeeld. Gowricharn omschrijft het conceptrapport in zijn boek als een ‘onrealistische blijde boodschap’. Hij plaatst kanttekeningen bij een aantal economische voorspellingen, zoals een daling van de armoede van 18,5 naar 5%, en de prognose dat de arbeidsproductiviteit zal verdubbelen. Ook mist hij een beheersstructuur voor het veelbesproken Spaar- en Stabilisatiefonds.

Aardig is dat Marten Schalkwijks reactie op het commentaar van Gowricharn ook in dit essay is opgenomen. Beide sociologen benadrukken dat Suriname niet meer kan volstaan met kortetermijnbeleid, maar keihard moet gaan werken aan de vormgeving van de toekomstige ontwikkeling. Dit vereist een andere attitude en mentaliteit, volgens de auteur, te beginnen met een intensief publiek debat waarbij alle delen van de bevolking via alle media hun zegje kunnen doen over de toekomst. Dat het nationaal ontwikkelingsplan 2030-2050 breed gedragen moet worden, is overigens ook de opdracht van president Simons aan Karel Eckhorst.

Bij het schrijven van het boek zijn twee personen zeer behulpzaam geweest, schrijft de auteur in zijn inleiding: Saira Jahangir-Abdoelrahman en Karel Eckhorst, met wie hij de afgelopen twee decennia nauw heeft samengewerkt. Het kan dus haast niet anders dan dat Eckhorst voor het schrijven van het nationaal ontwikkelingsplan 2030-2050 dankbaar gebruik zal maken (dus niet ‘kan’, zoals ik hierboven schreef) van Gowricharns ‘rijk arsenaal aan suggesties met down-to-earth realisme die behartenswaardig en haalbaar’ zijn. Ik zie Gowricharns denkwerk dan ook als een welkome bijdrage uit de Surinaamse diaspora in Nederland aan de economische toekomst van zijn geboorteland.

Roy Khemradj

Klein land, grote uitdagingen – Economische ontwikkelingen in Suriname is uitgebracht door LM Publishers en kost € 24,50.