De eerste schooldag hoort voor leerlingen een nieuw begin te zijn. Op 1 oktober kregen veel ouders en kinderen echter vooral onzekerheid voorgeschoteld. Moesten de kinderen naar school of thuisblijven? De Gezamenlijke Onderwijs Vakbonden (GOV) riepen ouders aan de vooravond van het nieuwe schooljaar op hun kinderen thuis te houden. Leerkrachten moesten zich juist wel melden om samen met de schoolleiding na te gaan of de scholen voldoende waren voorbereid en bemenst. De regering reageerde pas de volgende ochtend nadrukkelijk: de scholen moesten normaal open en de bonden waren niet bevoegd ouders op te roepen hun kinderen thuis te houden. Minister van Onderwijs Dirk Currie en minister van Binnenlandse Zaken Marinus Bee toonden zich verbaasd over de actie, juist omdat er de afgelopen periode overleg was gevoerd met de onderwijsbonden. Volgens Currie waren die gesprekken goed verlopen, ook over de start van het schooljaar.

De praktijk van 1 oktober liet iets anders zien. Sommige ouders hielden hun kinderen thuis, terwijl op veel scholen de leerkrachten wel aanwezig waren. Daarmee werd vooral zichtbaar dat regering en bonden na meerdere gesprekken niet eens in staat waren met één duidelijke boodschap naar ouders, leerlingen en scholen te komen. Als de afspraken werkelijk zo helder waren als het ministerie stelt, had deze verwarring niet hoeven ontstaan.

Er speelt bovendien meer dan de voorbereiding van scholen. De GOV is met de regering in onderhandeling over betere lonen en had eerder aangegeven dat dit traject vóór 1 oktober afgerond moest zijn. Dat is niet gebeurd. Het salarisvraagstuk kan daarom moeilijk worden losgekoppeld van de actie rond de schoolopening. Dat betekent niet dat problemen met personeelsbezetting, gebouwen en leermiddelen niet bestaan. Die problemen zijn juist al jarenlang bekend. Maar precies daarom overtuigt het argument dat op 1 oktober eerst moest worden geïnventariseerd hoe de scholen ervoor staan niet volledig.

Een nieuw schooljaar begint niet onverwacht. De schoolvakantie loopt vanaf ongeveer half augustus tot eind september. Die periode biedt het ministerie, schoolleidingen en andere verantwoordelijken voldoende tijd om de situatie op scholen in kaart te brengen. Waar ontbreken leerkrachten? Welke lokalen zijn niet bruikbaar? Waar zijn onvoldoende leermiddelen? Welke vacatures moeten worden ingevuld? Dat werk hoort vóór de eerste schooldag te zijn gedaan.

De term schoolvakantie zorgt soms voor een verkeerd beeld. De leerlingen hebben vakantie, maar het onderwijsapparaat kan niet anderhalve maand stilvallen. Leerkrachten zijn werknemers van de overheid en schoolleiders hebben een verantwoordelijkheid voor de organisatie van hun school. Evaluatie van het afgelopen jaar en voorbereiding van het nieuwe jaar moeten daarom ruim vóór 1 oktober plaatsvinden. Als pas op de eerste schooldag blijkt dat een school niet behoorlijk kan functioneren, is er eerder iets misgegaan in de organisatie.

Daarmee verdwijnt het salarisprobleem niet naar de achtergrond. Integendeel. De beloning van onderwijsgevenden is al jaren een pijnpunt. Van leerkrachten wordt veel gevraagd, terwijl hun salarissen volgens velen onvoldoende aansluiten bij hun verantwoordelijkheid en de kosten van levensonderhoud. Ook leerkrachten die niet achter iedere vakbondsactie staan, kunnen vinden dat hun financiële positie dringend moet verbeteren. De regering erkent dat er over nieuwe lonen moet worden onderhandeld en zegt aan verbetering te werken.

De bonden hebben het recht om voor betere arbeidsvoorwaarden op te komen. Het ministerie heeft tegelijkertijd de verantwoordelijkheid het onderwijsproces zoveel mogelijk te beschermen. Wanneer een arbeidsconflict meespeelt, moet dat duidelijk worden gezegd. Wanneer scholen werkelijk niet klaar zijn om leerlingen te ontvangen, moet eveneens concreet worden aangegeven welke scholen, welke tekorten en welke risico’s het betreft. Ouders op de avond vóór de schoolopening in onzekerheid laten, is geen oplossing voor beide problemen.

De grootste rekening komt uiteindelijk terecht bij degenen die niet aan de onderhandelingstafel zitten. Ouders moeten op het laatste moment beslissen of zij hun kinderen sturen. Leerlingen missen onderwijs en beginnen hun schooljaar met verwarring. Leerkrachten komen terecht tussen instructies van bonden, schoolleiding en ministerie.

Het Surinaamse onderwijs kampt al jaren met structurele problemen: tekorten aan leerkrachten en leermiddelen, gebrekkige schoolgebouwen en een beloning die onvoldoende aantrekkelijk is om mensen voor het onderwijs te behouden. Geen van die problemen ontstond op 1 oktober. Ze hadden daarom ook niet op 1 oktober ontdekt hoeven worden.

De gebeurtenissen rond de schoolstart maken vooral duidelijk dat twee problemen door elkaar zijn gaan lopen: de gebrekkige voorbereiding van delen van het onderwijs en het nog onopgeloste arbeidsvoorwaardenconflict. Regering en bonden dragen ieder verantwoordelijkheid om die zaken uit elkaar te houden en helder te communiceren.

Een kind hoort op de eerste schooldag niet thuis te zitten omdat volwassenen na weken overleg nog verschillend uitleggen wat is afgesproken. Betere salarissen verdienen serieuze onderhandelingen. Tekorten op scholen verdienen tijdige oplossingen. En een nieuw schooljaar verdient voorbereiding vóórdat de eerste schoolbel gaat.

Wilfred Leeuwin