Kamlawatie Kowlesar heeft bij de kantonrechter geen succes geboekt in haar poging om de vervallenverklaring van haar grondhuur op een deel van de proeftuin La Poule in Saramacca voorlopig buiten werking te laten stellen. De rechter heeft haar niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang voor behandeling in kort geding. Over de rechtmatigheid van het intrekken van de grondhuur heeft de rechter zich daardoor niet inhoudelijk uitgesproken.     

Het vonnis is in augustus gewezen in de zaak die Kowlesar had aangespannen tegen de Staat Suriname en minister Stanley Soeropawiro van Grondbeleid en Bosbeheer en onlangs op schrift ter beschikking gesteld. De kwestie draait om een perceel op de voormalige plantage La Poule in Saramacca. Kowlesar had in juli 2025 ongeveer 12 hectare grond aangevraagd voor landbouwdoeleinden. Op 9 juli kreeg zij een bereidverklaring en op 15 juli 2025 werd haar het recht van grondhuur voor veertig jaar verleend op een perceel van 11,9808 hectare. De beschikking werd drie dagen later overgeschreven bij het MI-GLIS.     

De uitgifte kwam echter kort daarna ter discussie te staan. Het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) meldde aan de president dat er ernstige aanwijzingen waren dat een deel van de proeftuin La Poule onrechtmatig was uitgegeven. Volgens LVV werd het terrein gebruikt voor agrarisch onderzoek. De toewijzingsbeschikking werd vervolgens bij presidentieel besluit voor zes maanden geschorst. Daarbij werd onder meer aangevoerd dat vooraf geen advies was gevraagd aan LVV en de districtscommissaris van Saramacca.  

In maart van dit jaar werd de grondhuur uiteindelijk vervallen verklaard. Uit onderzoek van de Landmeetkundige Dienst was volgens de beschikking gebleken dat het uitgegeven perceel deel uitmaakt van de proeftuin van LVV. Ook zou het advies van de Dienst Grondinspectie waarop de bereidverklaring mede was gebaseerd, betrekking hebben gehad op een ander perceel en een andere aanvrager. Voor de aanvraag van Kowlesar zou geen grondinspectierapport zijn opgesteld.    

Kowlesar was het daarmee niet eens. Zij voerde bij de rechter aan dat de vervallenverklaring in strijd is met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij stelde dat het terrein niet als proeftuin werd gebruikt en dat er geen bijenteelt plaatsvond. Volgens haar had zij na de verkrijging van de grondhuur geld geleend om het terrein te ontbossen en landbouwactiviteiten te beginnen. 

Op het perceel waren volgens Kowlesar inmiddels ongeveer duizend bananenbomen geplant en waren citrusplanten besteld. Voor haar investeringen had zij het perceel bezwaard met een krediethypotheek van SRD 2 miljoen. Nadat de grondhuur vervallen was verklaard, mocht zij het terrein niet meer betreden en kon zij naar eigen zeggen haar bananen niet onderhouden en oogsten.  

De Staat stelde daartegenover dat het perceel onderdeel is van de LVV-proeftuin en dat daar sinds 2024 bijenteelt plaatsvindt. LVV zou bovendien van plan zijn op het betreffende gedeelte een verwerkingsunit te bouwen. De kantonrechter kwam echter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze tegenover elkaar staande standpunten. Volgens de rechter is het belang dat Kowlesar aanvoert hoofdzakelijk van vermogensrechtelijke aard. Voor het vaststellen van eventuele schade en een mogelijke schadevergoeding is nader onderzoek nodig, waarvoor een kort geding zich niet leent. Een dergelijke vordering kan volgens het vonnis in een bodemprocedure worden behandeld.   

Ook haar vordering tegen minister Soeropawiro persoonlijk strandde. De rechter overwoog dat een minister een orgaan van de Staat is en zelf geen rechtspersoonlijkheid heeft. De Staat is daarom de formele procespartij. Kowlesar is uiteindelijk niet-ontvankelijk verklaard en moet SRD 7.500 aan proceskosten betalen.