Suriname kan straks geld in een oliefonds storten en toch financieel kwetsbaarder worden. Dat gebeurt wanneer de overheid tegelijk nieuwe verplichtingen aangaat die sneller groeien dan haar beschikbare inkomsten. Een stijgend fondsvermogen is dan geen volledige maatstaf voor vooruitgang. Om de toekomstige olierijkdom te beoordelen, moeten de bezittingen van het fonds en de verplichtingen van de begroting naast elkaar staan.

In de jaarrede van 30 september benadrukte president Jennifer Simons dat het Spaar- en Stabilisatie Fonds vóór de eerste storting van oliemiddelen operationeel moet zijn. Volgens de overheidspublicatie vraagt de gewijzigde inkomstenstructuur ook om aanpassing van de wetgeving. Daarmee ligt een concrete opgave op tafel: zorgen dat het fonds, de begroting en het schuldbeheer samen functioneren voordat de grote inkomsten binnenkomen.

Het IMF-rapport dat in mei verscheen, beschrijft een wettelijk kader waarin uitgaven- en schuldregels de begrotingsdiscipline moeten bewaken, terwijl het fonds vermogen beheert en schommelingen opvangt. Het signaleert ook dat de uitvoering nog niet volledig op orde was. Suriname hoeft het verband tussen sparen en verantwoord uitgeven dus niet opnieuw uit te vinden. Het moet dat bestaande ontwerp werkbaar maken.

De scherpste financiële toets is wat er met de totale positie van de overheid gebeurt. Als zij laag renderende middelen aanhoudt en tegelijkertijd duur leent, kan de renterekening oplopen terwijl het fonds groeit. Dat is een risico, geen vaststelling dat Suriname het nu zo doet. De afweging vraagt om samenhang tussen financiële reserves, schuldvoorwaarden en middelen die snel beschikbaar moeten blijven voor tegenvallers.

Een vaste storting in het fonds lost deze afweging niet vanzelf op. De overheid zou een deel van de olie-inkomsten kunnen reserveren en een even groot bedrag extra lenen voor de begroting. Er is dan zichtbaar gespaard, maar de ruimte voor toekomstige uitgaven is nauwelijks verbeterd. Het debat moet daarom ook gaan over het tempo waarin nieuwe verplichtingen worden aangegaan en de inkomsten waarmee die worden gedekt.

Dat tempo is van belang voor investeringen die later nuttig kunnen zijn. Een weg of schoolgebouw heeft niet alleen bouwkosten. Er volgen uitgaven voor onderhoud, personeel en gebruik. Wie uitsluitend de eerste factuur tegenover verwachte olie-inkomsten zet, onderschat wat toekomstige begrotingen moeten dragen. Een investeringsbesluit hoort daarom te laten zien welke uitgaven terugkeren en wat er gebeurt als de verwachte inkomsten later of lager binnenkomen.

Volgens het IMF was de start van olieproductie op zee voorzien voor 2028. Een dergelijke verwachting kan helpen bij de voorbereiding, maar zij is nog geen ontvangen belastinggeld. Ook productie, verkoopwaarde en overheidsinkomsten zijn verschillende grootheden. Dat onderscheid moet zichtbaar blijven wanneer plannen worden doorgerekend. Een hogere olieprijs mag niet stilzwijgend de rechtvaardiging worden voor permanente verplichtingen die ook bij een lagere prijs blijven bestaan.

Voor burgers hoeft deze beoordeling geen ingewikkelde beleggingsdiscussie te worden. Zij moeten kunnen zien wat de overheid ontvangt en uitgeeft, welke schulden en garanties erbij komen en welk vermogen beschikbaar blijft. Die informatie krijgt betekenis wanneer zij op elkaar aansluit. Een goed jaarverslag van het fonds is nuttig, maar vertelt op zichzelf niet of de rest van de overheid dezelfde financiële koers volgt.

Duidelijke bevoegdheden zijn daarbij even belangrijk als duidelijke cijfers. De beheerder van het fonds moet geld beheren binnen afgesproken grenzen. Het begrotingsbeleid bepaalt welke publieke uitgaven worden gedaan. Als die rollen vervagen, kan het fonds een tweede toegang tot overheidsuitgaven worden, buiten de gewone afweging tussen maatschappelijke behoeften. Het zou verstandig zijn om elke belangrijke overdracht ook in die bredere begrotingsafweging te verantwoorden.

Voorzichtigheid betekent niet dat Suriname alle ontwikkelingskansen moet uitstellen. Goed voorbereide investeringen kunnen de economie sterker maken en toekomstige inkomsten verbreden. Juist daarom moeten zij worden vergeleken op hun opbrengst voor de samenleving en hun volledige financiële kosten. Een minder opvallend project met houdbare gebruikskosten kan meer ruimte scheppen dan een groot bouwplan dat jarenlang andere prioriteiten verdringt.

Het oliefonds verdient vertrouwen wanneer zijn groei samengaat met een begroting die tegenvallers aankan. De voorbereiding kan al vóór de eerste olieontvangsten worden getoetst: zijn de bevoegdheden helder, worden nieuwe verplichtingen volledig geteld en sluiten uitgavenplannen aan op voorzichtige inkomstenramingen? Zo krijgt sparen betekenis voor mensen die de gevolgen van financiële keuzes nog lang zullen dragen.

Gustavo Pessoa
(Docent economie en finance aan Fundação Getulio Vargas in Brazilië. Hij schrijft op persoonlijke titel.)