Is Suriname werkelijk vrij, of heeft de uitbuiting slechts een modern gezicht gekregen?
De geschiedenis lijkt zich te herhalen, zij het in een andere vorm.

Toen de Europeanen eeuwen geleden naar deze regio kwamen, ontstond er een ongelijke ruil. Inheemse volken werden geconfronteerd met buitenlandse machthebbers die hen met spiegels, kralen en andere goedkope handelswaren wisten te verleiden, terwijl waardevolle grondstoffen en rijkdommen uit hun leefgebieden werden meegenomen.

Vandaag de dag lijkt dit historische patroon zich in een modern jasje opnieuw te manifesteren. Buitenlandse Investeerders geven nu, ijskanten, presentjes, buitenlandse reizen enz.
Buitenlandse investeerders en ondernemingen komen naar Suriname met beloften van economische groei, werkgelegenheid, ontwikkeling en vooruitgang. Deze beloften klinken aantrekkelijk, zeker in een land waar veel mensen hopen op betere levensomstandigheden en meer economische kansen.

Maar achter deze beloften schuilt een fundamentele vraag: wie profiteert uiteindelijk het meest van de rijkdommen van Suriname?

Wanneer buitenlandse bedrijven onze natuurlijke hulpbronnen exploiteren, grote winsten realiseren en 95% (een aanzienlijk deel) van die opbrengsten naar het buitenland laten vloeien, moeten wij ons afvragen of de Surinaamse bevolking werkelijk de vruchten plukt van haar eigen bodemschatten.

Werkgelegenheid is belangrijk, maar werk alleen is geen garantie voor nationale welvaart. Een land kan banen creëren en tegelijkertijd een groot deel van zijn natuurlijke rijkdom verliezen, wanneer de voorwaarden waaronder die rijkdom wordt geëxploiteerd niet in het belang van de bevolking zijn.

De vergelijking met het koloniale verleden is daarom een waarschuwing. De middelen zijn veranderd, de taal is veranderd en de economische structuren zijn anders geworden, maar het risico van ongelijke verhoudingen blijft bestaan. Waar vroeger handelswaren werden geruild voor goud, dreigen we vandaag economische kansen en tijdelijke werkgelegenheid te aanvaarden zonder voldoende te waarborgen dat de werkelijke waarde van onze rijkdommen in Suriname achterblijft.

Suriname mag niet opnieuw de leverancier van rijkdom worden, terwijl zijn eigen bevolking aan de zijlijn blijft staan.

Onze natuurlijke hulpbronnen moeten niet alleen winst opleveren voor buitenlandse ondernemingen, maar ook bijdragen aan duurzame ontwikkeling, goed onderwijs, betere gezondheidszorg, moderne infrastructuur, lokale ondernemingen en financiële zekerheid voor toekomstige generaties.

Dat vereist transparante contracten, eerlijke belastingafdrachten, strenge milieubescherming, overdracht van kennis en technologie, en een duidelijke strategie om de Surinaamse economie sterker en zelfstandiger te maken.

De echte vooruitgang van een land wordt immers niet uitsluitend gemeten aan het aantal buitenlandse investeerders of de hoeveelheid grondstoffen die worden gewonnen. Zij wordt gemeten aan de levenskwaliteit van de bevolking, de kansen voor jongeren en de mate waarin een land zelf de controle behoudt over zijn economische toekomst.

Suriname heeft een rijke bodem, maar die rijkdom moet ook leiden tot een rijker en waardiger bestaan voor zijn inwoners.

Wij moeten leren van onze geschiedenis, zodat toekomstige generaties niet opnieuw de prijs betalen voor de rijkdom waarvan anderen profiteren. Want politieke onafhankelijkheid betekent pas werkelijk iets wanneer zij samengaat met economische zelfstandigheid, rechtvaardigheid en zeggenschap over onze eigen natuurlijke rijkdommen.

Suriname is geen bezit dat verkocht of uitgeput mag worden. Het is ons thuis, ons erfgoed en de toekomst van onze kinderen.

De vraag is daarom niet alleen hoeveel rijkdom er uit onze bodem wordt gehaald, maar vooral hoeveel daarvan daadwerkelijk terugvloeit naar het volk van Suriname.
Een land is pas werkelijk rijk wanneer zijn natuurlijke rijkdommen niet alleen waarde hebben voor de wereld, maar vooral welzijn brengen voor zijn eigen bevolking.

Fabio Grosso