De olie is van Suriname. Dat weten we allemaal. Maar als straks miljarden dollars rond onze olie- en gasindustrie worden uitgegeven, hoeveel blijft daarvan werkelijk hier, en hoeveel Surinamers worden er beter van?

TotalEnergies verwacht voor GranMorgu een investering van ongeveer 10,5 miljard Amerikaanse dollar, met eerste olie in 2028. Er wordt gerekend op 1 tot 1,5 miljard dollar aan lokale bestedingen en ruim zesduizend banen. Mooie cijfers. Maar het zijn verwachtingen, geen resultaten.

We beginnen gelukkig niet bij nul. De Petroleumwet kent al bepalingen over Surinaamse werknemers, goederen en diensten, opleiding en kennisoverdracht. Staatsolie werkt dat verder uit in haar openbare modelcontract. Via BlueWave zijn ruim honderd Surinaamse ondernemingen getraind. Aan nationale Local Content-wetgeving wordt al jaren gewerkt. Wie in 2028 resultaat wil zien, moet nu vastleggen hoe we dat meten en bewaken. Ook moeten we helder definiëren wat een Surinaams bedrijf is. Alleen hier geregistreerd staan, mag niet voldoende zijn.

Vaak draait de discussie om percentages. Maar een eis van veertig procent: veertig procent waarvan? Voor wie? En wat hebben we er over tien jaar nog aan? Voor mij moet bij elke belangrijke keuze één vraag vooropstaan: welke oplossing levert de Surinaamse samenleving
uiteindelijk het meeste op?

Neem water. Als de olie-industrie waterdiensten nodig heeft, waarom kijken we dan niet eerst naar de Surinaamsche Waterleiding Maatschappij? Kan SWM het vandaag niet leveren, onderzoek dan wat nodig is om het wél te kunnen. Apparatuur, opleiding, investeringen of
een meerjarig contract misschien.

Als zulke opdrachten SWM financieel sterker maken, kan de overheid mogelijk minder subsidie hoeven geven. Dat geld kan dan naar onderwijs, zorg of infrastructuur. Misschien helpt het ook om watertarieven betaalbaar te houden. Zo profiteert zelfs iemand die
nooit een boorplatform zal zien. Dat is local benefit.

Met de zorg kan hetzelfde. De industrie heeft medische keuringen, diagnostiek, spoedzorg en specialisten nodig. Waarom die vraag niet gebruiken om onze gezondheidszorg te versterken? Investeer waar mogelijk hier in apparatuur, laboratoria en opleiding. Natuurlijk moet iemand die op zee gewond raakt goede zorg krijgen. Maar die CT-scan of specialist hoeft toch niet uitsluitend voor de olie-industrie beschikbaar te zijn? We kunnen moeilijk miljarden aan olie produceren en voor iedere ingewikkelde behandeling het vliegtuig blijven pakken.

Hetzelfde denken past bij havens, transport, energie en technisch onderwijs. Niet alles zal kunnen. Maar wat kunnen we zelf, wat kunnen we leren, en wat hebben we daarvoor nodig?

Ook met personeel mogen we zelfbewuster omgaan. Als Suriname contractueel verantwoordelijk wordt voor een deel van de personeelsbehoefte, moeten we dat aandeel zelf organiseren. Eerst met beschikbare Surinamers. Ontbreekt deskundigheid, dan regelen we zelf tijdelijke buitenlandse expertise, terwijl we Surinamers opleiden om die functies over te nemen. Niet: wij hebben de mensen niet, zoek ze zelf maar. Dit is ons deel. Wij organiseren het.

En ja, ik pleit voor een bewuste voorkeurspositie voor parastatale bedrijven. De overheid is eigenaar namens de samenleving en kan sturen op wat er met de opbrengsten gebeurt. Een olieopdracht kan zo niet alleen werk en inkomsten opleveren, maar ook een publieke voorziening versterken, subsidies verminderen en tarieven beheersbaar houden. Dat bredere voordeel verdient voorrang boven winst die vooral bij een beperkte groep terechtkomt.

Kan een parastataal het nog niet aan, dan moeten we eerst onderzoeken of gerichte investeringen haar geschikt kunnen maken. Maar geen blanco cheque: stel eisen aan kwaliteit, kosten en prestaties, en toets of de maatschappelijke voordelen werkelijk ontstaan. Overheidseigendom alleen is geen garantie.

Particuliere Surinaamse bedrijven blijven onmisbaar. Ze scheppen banen, betalen belastingen en bouwen kennis op. Maar bij rijkdom die van ons allemaal is, moet het voordeel voor de hele samenleving de doorslag geven.

Daarom moeten we niet alleen bijhouden hoeveel contracten naar Surinaamse bedrijven gaan, maar ook wat die contracten opleveren voor de samenleving. Is de dienstverlening verbeterd? Zijn subsidies daadwerkelijk verminderd? Hoeveel Surinamers zijn opgeleid en
doorgestroomd naar betere functies? Maak die resultaten openbaar. Anders weten we straks precies hoeveel geld lokaal is besteed, maar nog steeds niet hoeveel Suriname er werkelijk aan heeft overgehouden.

Want local content is niet automatisch local benefit. We kunnen keurige percentages halen en toch kansen missen. Als deze olieperiode voorbij is, moeten ook onze publieke voorzieningen en onze kennis sterker zijn geworden.

De eerlijkste test? Dat iemand die nooit op een boorplatform stond en nooit één oliedollar ontving, toch kan zeggen: ik heb er iets van gemerkt.

Dinesh Dinai
(De auteur schrijft op persoonlijke titel)